HR 30 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7373

Beklag, beslag. 1. Maatstaf. 2. Verhouding waarde beslag en mogelijke hoogte van de betalingsverplichting. 3. Art. 74 AWR en art. 36e Sr. Ad 1. HR herhaalt LJN BL2823 m.b.t. de aan te leggen maatstaf bij beslag ex art. 94a.2 Sv. De Rb heeft de juiste maatstaf toegepast. Voor zover wordt geklaagd dat de Rb niet heeft overwogen dat zij het in HR LJN BL2823 bedoelde onderzoek heeft verricht kan het middel niet tot cassatie leiden bij gebrek aan belang. Uit de aan de HR ex art. 447.2 Sv gezonden stukken blijkt dat het gaat om verdenking van valsheid in geschrift, witwassen en deelneming aan een criminele organisatie. Dit zijn misdrijven waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Ad 2. Het oordeel van de Rb dat niet onwaarschijnlijk is dat w.v.v. zal worden ontnomen voor een bedrag dat de gezamenlijke waarde van de vordering en de bankrekening zal ontstijgen, behoefde geen nadere motivering, in aanmerking genomen dat het onderzoek in RK summier is en dat in de beklagprocedure slechts een voorlopige schatting kan worden gemaakt van het w.v.v. en voorts geen omstandigheden zijn aangevoerd die tot een nader onderzoek noopten. Ad 3. De opvatting van het middel dat ingevolge art. 74 AWR art. 36e Sr geen toepassing vindt op de feiten ter zake waarvan jegens de klaagster verdenking is gerezen is onjuist. Art. 74 AWR ziet alleen op bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen