HR 30 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7369
Beklag, beslag. 1. Ingewonnen informatie na sluiting onderzoek in RK. 2. Onvolledig (raadkamer)dossier? 3. Maatstaf. 4. Verhouding waarde beslag en mogelijke hoogte van de betalingsverplichting. 5. Art. 74 AWR en art. 36e Sr. 6. Schending art. 2 Sr? Ad 1. HR herhaalt HR LJN AU4086 m.b.t. de toepasselijkheid van art. 6 EVRM op de raadkamerprocedure. Klaagster is door het na sluiting van het onderzoek in RK door de RB inwinnen van informatie bij de RC over de door hem verleende machtiging tot het instellen van een SFO redelijkerwijze niet getroffen in zodanig, door de beginselen van een behoorlijke procesorde beschermd belang m.b.t. het onderzoek in RK naar de rechtmatigheid van het ex art. 94a Sv gelegde beslag, dat dit tot nietigheid van het onderzoek in raadkamer en derhalve van de bestreden beschikking zou dienen te leiden. Ad 2. HR herhaalt HR LJN BL2823 m.b.t. het summiere karakter van het onderzoek in RK. Gelet daarop maakt de omstandigheid dat de Rb over een beperkt dossier beschikte het oordeel van de Rb dat het belang van sv zich voorshands verzet tegen opheffing van het beslag op de administratie, niet onbegrijpelijk. Ad 3. HR herhaalt HR LJN BL2823 m.b.t. de aan te leggen maatstaf. De Rb heeft de juiste maatstaf gehanteerd. Voor zover wordt geklaagd dat de Rb niet heeft overwogen dat zij het in HR LJN BL2823 bedoelde onderzoek heeft verricht kan het middel niet tot cassatie leiden bij gebrek aan belang. De Rb heeft vastgesteld dat de RC op vordering van de OvJ een machtiging heeft verleend voor het instellen van een SFO. Daarin ligt besloten dat voldaan is aan de in art. 126.1 Sv gestelde eis dat verdenking is gerezen van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Uit de aan de HR ex art. 447.2 Sv gezonden stukken blijkt voorts dat het gaat om verdenking van valsheid in geschrift, witwassen en deelneming aan een criminele organisatie. Voor die misdrijven kan een geldboete van de vijfde categorie worden opgelegd. Ad 4. Het oordeel van de Rb dat niet onwaarschijnlijk is dat w.v.v. zal worden ontnomen voor een bedrag dat de gezamenlijke waarde van de personenauto's zal ontstijgen, behoefde geen nadere motivering, in aanmerking genomen dat het onderzoek in raadkamer summier is en dat in de beklagprocedure slechts een voorlopige schatting kan worden gemaakt van het w.v.v. en voorts geen omstandigheden zijn aangevoerd die tot een nader onderzoek noopten. Ad. 5. De opvatting van het middel dat ingevolge art. 74 AWR art. 36e Sr geen toepassing vindt op de feiten ter zake waarvan jegens de klaagster verdenking is gerezen is onjuist. Art. 74 AWR ziet alleen op bij de belastingwet strafbaar gestelde feiten. Ad. 6. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR NJ 1999/221. De door klaagster gestelde omstandigheid dat de Nederlandse strafwet toepassing mist, behoefde de RB niet te weerhouden van haar oordeel dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat aan klaagster w.v.v. zal worden ontnomen. Of art. 2 Sr aan veroordeling van klaagster wegens valsheid in geschrift en witwassen in de weg staat, zal uiteindelijk door de strafrechter moeten worden beoordeeld op grondslag van de tll. In de beklagprocedure volstaat dat wordt onderzocht of sprake was van een verdenking van zodanig misdrijf. Conclusie AG: anders.
De uitspraak op rechtspraak.nl