HR 20 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7349

1. Noodweerexces. 2. Niet-ontvankelijkverklaring benadeelde partij in zijn vordering. Ad 1. Het Hof heeft niet aannemelijk geacht dat het schieten door verdachte met een pistool op X het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, veroorzaakt door de aanranding van Y. Het Hof heeft dit oordeel mede doen steunen op de verklaring van verdachte dat hij met het schieten op X heeft gewacht “totdat deze goed stond”, hetgeen door het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk aldus is verstaan dat verdachte met een bepaalde mate van berekening X (definitief) wilde uitschakelen. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat voornoemde verklaring van verdachte niets inhoudt omtrent een hevige gemoedsbeweging. Ad 2. Het Hof heeft de benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de behandeling van die vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Aldus heeft het Hof de juiste - aan art. 361.4 Sv ontleende - maatstaf gehanteerd. Gelet op hetgeen het Hof heeft vastgesteld omtrent de rol van de benadeelde partij m.b.t. de bewezenverklaarde feiten, is dat oordeel ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen