HR 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5323
Bewijs (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. 1. Voor zover de steller van het middel ervan uitgaat dat voor een bewezenverklaring van het voorwaardelijke opzet op zwaar lichamelijk letsel dient vast te staan dat verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel in de specifieke vorm waarin het zich in casu heeft voorgedaan heeft aanvaard, berust het op een onjuiste opvatting. In de overwegingen van het Hof ligt als zijn oordeel besloten dat de bewezenverklaarde gedragingen van verdachte, te weten het meermalen slaan en/of stompen en/of schoppen van X, de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij X in het leven hebben geroepen. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat, naar het Hof heeft vastgesteld, X reeds t.t.v. de bewezenverklaarde gedragingen pijn had, lichamelijk gekwetst was en in een slechte conditie verkeerde en voorts dat tegen X excessief en zeer heftig geweld is uitgeoefend. Dat sprake was van zodanig geweld heeft het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk afgeleid uit de verklaringen van de geraadpleegde deskundigen ter zake van het bij X geconstateerde letsel en o.m. uit de als bewijsmiddel opgenomen verklaring van de getuige Y, inhoudende dat haar moeder vertelde, nadat zij was teruggekeerd van een bezoek aan verdachte, dat verdachte haar tijdens dat bezoek had geslagen met een ijzeren stang, haar handen en voeten met een touw aan elkaar had vastgebonden en haar mond met tape had afgeplakt, dit laatste om te voorkomen dat de andere mensen in het gebouw haar hoorden gillen. 2. Voorts klaagt het middel over ’s Hofs oordeel dat verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel willens en wetens heeft aanvaard. In dit kader wordt geklaagd over ’s Hofs oordeel “dat bij tenminste drie ontmoetingen tussen verdachte en X het voor verdachte kenbaar moet zijn geweest dat X pijn had, lichamelijk gekwetst was en in een slechte conditie verkeerde”. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat meerdere getuigen hebben verklaard over de slechte conditie waarin X t.t.v. de door het Hof bedoelde ontmoetingen verkeerde, terwijl voorts uit ’s Hofs bewijsvoering volgt dat de verdachte X met regelmaat sloeg en haar ook kort voor de drie door het Hof bedoelde ontmoetingen had geslagen. In het licht van het voorgaande en gelet op het excessieve karakter van het tegen X - in ieder geval ook bij de laatste ontmoeting - uitgeoefende geweld, getuigt ’s Hofs oordeel dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard een reeds lichamelijk gekwetste vrouw, door deze (opnieuw) te slaan, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk.
De uitspraak op rechtspraak.nl