HR 24 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6467
1. Afwijzing verzoek Oslo-confrontatie. 2. Afwijzing getuigenverzoek, maatstaf. Ad 1. In ’s Hofs oordeel ligt besloten dat het geen noodzaak heeft gezien voor toewijzing van het verzoek. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste opvatting omtrent de te dezen toepasselijke maatstaf en is, gelet op de summiere onderbouwing van het verzoek en wat er zij van de verwijzing door het Hof naar richtlijnen, toereikend gemotiveerd. Ad 2. Het moet ervoor worden gehouden dat het in cassatie overgelegde faxbericht - inhoudende dat door het advocatenkantoor aan de Rb tijdig een appelschriftuur is verstuurd - niet aanwezig was in het dossier dat het Hof ter beschikking stond bij de behandeling van de onderhavige strafzaak in h.b., terwijl onvoldoende grond bestaat voor het ernstige vermoeden dat die schriftuur ter griffie is ontvangen en vervolgens in het ongerede is geraakt. Dat het Hof dienaangaande niets opmerkt kan daar niet aan afdoen. De appelschriftuur die zich bij de stukken van het geding bevindt is niet binnen 14 dagen na het instellen van het beroep ingediend. Het getuigenverzoek diende o.g.v. art. 418.3 Sv naar de maatstaf van de noodzaak te worden beoordeeld. Het Hof heeft bij de afwijzing van het verzoek de juiste maatstaf aangelegd. ’s Hofs oordeel is, mede in aanmerking genomen dat de verdediging al eerder in de gelegenheid is geweest de getuige vragen te doen stellen, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
De uitspraak op rechtspraak.nl