HR 8 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2099
Art. 126m Sv. Het oordeel van het Hof dat het misdrijf het uitgeven van valse bankbiljetten (strafbaar gesteld in art. 213 Sr) naar zijn aard een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert in de zin van art. 126m.1 Sv en dat daaraan niet afdoet dat sprake is van (de verdenking) van het eenmalig uitgeven van één vals bankbiljet geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De opvatting dat het Hof zijn oordeel niet louter op de aard van het misdrijf had mogen baseren maar ook de ernst van de feiten en omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, had moeten betrekken vindt geen steun in de geschiedenis van art. 126m Sv, zoals weergegeven in de CAG.
De uitspraak op rechtspraak.nl