HR 1 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT1667
Bewijsklacht. Poging tot afpersing, gepleegd op de openbare weg door twee of meer verenigde personen. Geklaagd wordt dat het Hof ten onrechte heeft bewezen verklaard dat verdachte “die X en Y meermalen heeft geslagen en/of getrapt en (daarbij) die X heeft toegevoegd “geef me het geld, ik heb de sleutel ook al, geef me het geld” of woorden van soortgelijke aard of strekking”. Het Hof heeft de tenlastelegging kennelijk aldus opgevat, dat verdachte daarin (mede) wordt verweten dat hij tezamen en in vereniging met (een) ander(en) ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf de in het middel bedoelde handelingen heeft verricht. Die uitleg van de tenlastelegging, zoals klaarblijkelijk ook de verdediging deze heeft opgevat, is met de bewoordingen van de tenlastelegging niet onverenigbaar en moet in cassatie worden geëerbiedigd. Hetgeen het Hof op de grondslag van die aldus opgevatte tenlastelegging heeft bewezenverklaard sluit de mogelijkheid in dat de bedoelde handelingen door verdachtes mededaders zijn gepleegd. Anders dan het middel tot uitgangspunt neemt, houdt de bewezenverklaring dus niet in dat het verdachte is geweest die die handelingen heeft verricht. Het middel berust dus op een onjuiste lezing van de bestreden uitspraak, zodat het feitelijke grondslag mist.
De uitspraak op rechtspraak.nl