HR 25 november 2011, ECLI:NL:HR:2011:BS1685

Onteigening gronden in Eendragtspolder. Schadeloosstelling. Verwerping visie dat bij bepaling waarde onteigende gronden krachtens art. 40d Ow. mede moet worden gelet op bestemmingen gronden in Zuidplaspolder, niet onjuist en niet onbegrijpelijk. Klacht dat bij waardebepaling de op de onteigende gronden volgens geldende bestemmingsplannen rustende bestemmingen moeten worden weggedacht, mist belang nu uitgesloten is dat buiten beschouwing laten tot hogere waardering onteigende gronden zal kunnen leiden. Oordeel dat onteigende gronden geen duurzame belegging vormden als in jurisprudentie Hoge Raad bedoeld (HR 6 juni 2003, LJN AH9904, NJ 2003/550). Afwijzing vergoeding wegens waardevermindering overblijvende gronden. Aanwezigheid zand in onteigende gronden geen waardevermeerderende invloed; in onderhavig geval niet te verwachten dat nodige vergunningen voor winning bodembestanddelen zullen worden verkregen. Verwerping overige klachten met toepassing art. 81 RO.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen