HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR3041
Beklag. Dwangbevel. Nadat uit hoofde van een dwangbevel beslag was gelegde op roerende zaken op het woonadres van de veroordeelde, is bij de Rechtbank een schrijven ingekomen dat niet anders kon worden verstaan dan als een door de veroordeelde op de voet van art. 575.3 Sv gedaan verzet tegen de inmiddels plaatsgevonden hebbende tenuitvoerlegging van het dwangbevel. Aan dat bezwaarschrift is kennelijk als gevolg van een verkeerde lezing geen gevolg gegeven. Door middel van een bij de Hoge Raad ingekomen brief wordt cassatie ingesteld. De Hoge Raad verstaat deze brief aldus dat de veroordeelde te kennen geeft verzet te willen doen tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel. In aanmerking genomen dat ten onrechte geen gevolg is gegeven aan het bij de Griffie van de Rechtbank ingekomen bezwaarschrift houdende verzet tegen tenuitvoerlegging van het dwangbevel, dient het verzet alsnog door de Rechtbank Amsterdam te worden behandeld en afgedaan, tenzij het bezwaarschrift vóór die behandeling zal worden ingetrokken.
De uitspraak op rechtspraak.nl