HR 5 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ5731

Art. 344a.3 Sv. Gebruik voor het bewijs van een schriftelijk bescheid houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt. HR herhaalt relevante overwegingen uit LJN ZA1460 m.b.t. motiveringsplicht rechter en LJN AE1195 m.b.t. de term “een persoon wiens identiteit niet blijkt”. Het Hof behoefde de in het gewraakte bewijsmiddel weergegeven verklaring van een “getuige” niet op te vatten als een verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt, nu het bewijsmiddel immers inhoudt dat de verklaring is afgelegd door een vaste klant van de aangever van wie de persoonsgegevens bekend zijn. T.a.v. de in het andere gewraakte bewijsmiddel weergegeven verklaring van “een meisje”, heeft het Hof i.s.m. art. 360.1 Sv nagelaten het gebruik van dat bewijsmiddel nader te motiveren. Dit verzuim behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden nu de daarin genoemde omstandigheid in het licht van de gehele bewijsvoering een omstandigheid van zo ondergeschikte aard betreft dat het aan de toereikendheid van de bewijsmotivering niet afdoet.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen