HR 14 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ3667
Beklag, beslag. Ontvankelijkheid. In de strafzaak tegen klager heeft het Hof de bewaring t.b.v. de rechthebbende gelast van het inbeslaggenomen geldbedrag waarvan in het onderhavige, nadien ingestelde, beklag teruggave aan klager wordt verzocht. Door deze beslissing in de strafzaak is het beslag nog niet geëindigd. Zolang het beslag niet is beëindigd, kan een belanghebbende op de voet van art. 552a Sv een klaagschrift indienen strekkende tot teruggave aan hem van de inbeslaggenomen voorwerpen. De klager, die stelt rechthebbende op het geldbedrag te zijn, heeft belang bij - en is derhalve ontvankelijk in - zijn beklag. Het andersluidende oordeel van het Hof, strekkende tot n-o van klager in het h.b., geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Opmerking verdient nog dat het door het Hof aangehaalde arrest van de HR LJN BB8989 ziet op de - zich hier niet voordoende - situatie dat ná de beslissing op het klaagschrift waartegen het cassatieberoep is ingesteld, door de rechter in de strafzaak een beslissing is genomen t.a.v. de inbeslaggenomen voorwerpen waarop het klaagschrift betrekking heeft.
De uitspraak op rechtspraak.nl