HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2809
EG-recht. Uitleg art. 5 onder a van verordening (EG) nr. 2790/1999 van de Commissie van 22 december 1999 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, PbEG 1999, L 336/21-25, nadien gewijzigd (Groepsvrijstelling). Valt het tussen partijen overeengekomen exclusieve afnamebeding voor motorbrandstoffen, dat een niet-concurrentiebeding is in de zin van art. 1 onder b van de Groepsvrijstelling, op grond van art. 5 van de Groepsvrijstelling onder het bereik van de in art. 2 van de Groepsvrijstelling opgenomen vrijstelling? Het begrip “eigendom” in art. 5 onder a is geen communautair begrip. Voor de betekenis daarvan moet te rade worden gegaan bij het recht van de desbetreffende lidstaat. Naar Nederlands recht is economische eigendom geen eigendom (vgl. HR 5 maart 2004, NJ 2004/316).
De uitspraak op rechtspraak.nl