HR 24 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ1696
IPR. Echtscheiding. Toepasselijk recht op huwelijksgoederenregime; “aanknopingsladder” als neergelegd in HR 10 december 1976, LJN AE1063, NJ 1977/275 (Chelouche/Van Leer). Beroep op onaanvaardbaarheidsexecptie kan niet voor het eerst in cassatie worden gedaan. Hetzelfde geldt met betrekking tot een op de in HR 19 maart 1993, LJN ZC0897, NJ 1994/187 (Zimbabwe) toegepaste correctie gebaseerd betoog van de strekking dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is te verlangen dat de verdeling zal plaatsvinden in afwijking van bestendige gedragslijn partijen waaruit blijkt dat zij zich steeds en consequent hebben gedragen alsof een ander rechtsstelsel dan het van toepassing geoordeelde met betrekking tot hun huwelijksgoederenregime toepasselijk was. Kennelijk oordeel hof dat zich de weigeringsgrond als bedoeld in art. 5, aanhef en onder 2, Haags Alimentatie-Executieverdrag voordeed, niet onjuist en niet onbegrijpelijk, en kan voor het overige als van feitelijke aard in cassatie niet op juistheid worden onderzocht.