HR 20 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP9449
Vordering tot het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging van lijfsdwang als bedoeld in art. 577c Sv in verband met het uitblijven van betaling aan de Staat van een bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De HR zet het wettelijk en verdragsrechtelijk kader uiteen. De in art. 577c Sv voorziene maatregel van lijfsdwang heeft als ‘penalty’ te gelden in de zin van art. 7.1 EVRM. De inkadering in het Wetboek van Sr en Sv - met als vertrekpunt een veroordeling ter zake van een strafbaar feit - gevoegd bij de langdurige periode waarvoor lijfsdwang kan worden opgelegd geeft die maatregel een zodanig punitief karakter om van een penalty te kunnen spreken. Daaraan doet niet af dat de lijfsdwang volgens de wet als maatregel heeft te gelden. Het begrip ‘penalty’ moeten immers autonoom worden uitgelegd. Ook de klacht dat gelet op art. 1.2 Sr de duur van de vrijheidsbeneming van de lijfsdwang in deze zaak niet langer kan zijn dan 6 maanden faalt. De HR overweegt dat de omstandigheid dat de lijfsdwang heeft te gelden als een ‘penalty’ gevoegd bij de overwegingen van de Hoge Raad uit LJN BP6878 voor het onderhavige geval meebrengt dat het toepasselijke overgangsrecht in die zin moet worden uitgelegd dat de duur van de lijfsdwang waarvoor verlof wordt verleend niet meer dan zes maanden kon bedragen. Het dienovereenkomstige oordeel van het Hof is dus juist.
De uitspraak op rechtspraak.nl