HR 1 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3048
Procesrecht/IPR. Vraag van uitleg waarover gerede twijfel kan bestaan van Verordening (EG) nr. 1206/2001 (pbEG 2001 L 174/1). Prejudiciële vraag. Hoger beroep tegen beslissing rechtbank tot afwijzing van het verzoek om een rogatoire commissie in te stellen voor het voorlopig getuigenverhoor van in het buitenland woonachtige getuigen op wie het gelaste voorlopig getuigenverhoor betrekking heeft. Verplicht de EG-Bewijsverordening de rechter van een lidstaat die besloten heeft tot het horen van een in een andere lidstaat woonachtige getuige, tot een van beide in de verordening voorziene wijzen van bewijsverkrijging in een andere lidstaat, te weten hetzij de indirecte methode op de voet van art. 10 en volgende van de verordening, hetzij de rechtstreekse methode voorzien in art. 17. In andere woorden gaat het om de vraag of de verordening dwingende of exclusieve werking heeft, dan wel een faciliterende functie vervult doordat zij de rechter de bevoegdheid verleent om hetzij de weg van de verordening te volgen hetzij te opteren voor de in het nationale procesrecht voorziene mogelijkheden tot bewijsverkrijging.
De uitspraak op rechtspraak.nl