HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2630
Art. 249.2.3º Sr. 1. “werkzaam in de maatschappelijke zorg” en “aan zijn hulp hebben toevertrouwd” a.b.i. genoemde bepaling. 2. “ontucht” a.b.i. genoemde bepaling. Ad 1. De HR stelt voorop dat met de strafbaarstelling in art. 249.2.3° Sr van “degene die, werkzaam in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg, ontucht pleegt met iemand die zich als patiënt of cliënt aan zijn hulp of zorg heeft toevertrouwd” is beoogd ook strafrechtelijke bescherming te bieden tegen seksuele benadering van de zijde van de genoemde hulpverleners. De HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit HR NJ 1999/482 en HR LJN AJ1188. ’s Hofs oordeel, dat is gegrond op zijn vaststellingen en de aard van de verrichtingen van verdachte, dat verdachte in de maatschappelijke zorg werkzaam was en dat de cliënten zich aan zijn hulp hebben toevertrouwd, is onjuist noch onbegrijpelijk. Anders dan in de toelichting op het middel is aangevoerd, doet niet ter zake of aan die verrichtingen een zakelijke overeenkomst dan wel een behandelovereenkomst ten grondslag ligt, en doet aan ’s Hofs oordeel niet af dat die verrichtingen niet door een zorgverzekeraar worden vergoed en dat verdachte niet is aangesloten bij een overkoepelende vakorganisatie in de zorgsector. Ad 2. De HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit HR NJ 1997/485. Gelet hierop getuigt ’s Hofs kennelijke oordeel dat een uitzondering a.b.i. genoemd arrest zich hier niet voordoet, niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, ook niet in het licht van de omstandigheid dat verdachte zich op het standpunt heeft gesteld dat zijn handelingen deel uitmaakten van de door hem toegepaste behandelmethode en door de cliënten vrijwillig werden ondergaan, nu die omstandigheid als zodanig de in genoemd arrest bedoelde vorm van afhankelijkheid niet aantast.
De uitspraak op rechtspraak.nl