HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1379

Dwingen tot het dulden van ontuchtige handelingen als bedoeld in art. 246 Sr. Vooropgesteld moet worden dat van het dwingen tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen als bedoeld in art. 246 Sr ook sprake kan zijn ingeval geen lichamelijke aanraking tussen de dader en het slachtoffer heeft plaatsgevonden. Of in een zodanig geval de gedraging of gedragingen van de dader - al dan niet in hun onderlinge samenhang bezien - het dwingen tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen opleveren, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt in het bijzonder betekenis toe aan het antwoord op de vraag of en zo ja, in hoeverre tussen de dader en het slachtoffer enige voor het plegen of dulden van ontucht relevante interactie heeft plaatsgevonden (vgl. wat betreft de art. 247 en 249 Sr HR LJN AQ0950). Gelet op hetgeen is vooropgesteld, alsmede in aanmerking genomen hetgeen de bewijsmiddelen inhouden omtrent de interactie tussen verdachte en het slachtoffer, is het oordeel van het Hof dat te dezen sprake is van het dwingen tot het dulden van ontuchtige handelingen in de zin van art. 246 Sr, onjuist noch onbegrijpelijk.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen