HR 14 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP0287

1. Art. 10 EVRM. Eerdere civielrechtelijke veroordelingen. Strafrechtelijke vervolging noodzakelijk in een democratische samenleving? 2. Art. 261.3 Sr. Ad 1. HR: het Hof heeft geoordeeld dat een strafrechtelijke veroordeling van verdachte gerechtvaardigd is ter bescherming van de belangen van de aangevers. Daarbij heeft het Hof de aard en de reikwijdte van de door de civiele rechter uitgesproken veroordelingen meegewogen bij de oplegging van de straf die geheel voorwaardelijk is opgelegd. Een en ander getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting over de vrijheid van meningsuiting zoals die wordt gewaarborgd door art. 10 EVRM en is evenmin onbegrijpelijk. Ook de belangenafweging die het Hof aan voornoemd oordeel ten grondslag heeft gelegd, te weten enerzijds het algemeen belang dat kan zijn gediend met het zonder terughoudendheid bekritiseren van de waarheidsvinding in een strafzaak en anderzijds het belang van een gewone burger om te worden beschermd tegen herhaalde beschuldigingen van een ernstig misdrijf, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting, meer i.h.b. niet omtrent de door art. 10 EVRM vereiste belangenafweging, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. Het Hof heeft voorts onder ogen gezien of en in hoeverre een veroordeling van verdachte wegens smaad een disproportionele inbreuk op zijn vrijheid van meningsuiting zou betekenen, wat is uitgemond in het niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigend en niet onbegrijpelijk oordeel dat de veroordeling in deze zaak geen afbreuk doet aan het recht en de mogelijkheden van verdachte om zich (zeer) kritisch uit te laten over het handelen van politie en justitie. ’s Hofs oordeel dat het karakter van de uitspraken van verdachte zonder meer is op te vatten als een waarheidsclaim t.a.v. een feitelijke stand van zaken getuigt tegen de achtergrond van de in onderhavig arrest weergegeven rechtspraak van het EHRM en in het licht van wat het Hof heeft vastgesteld en overwogen over de aard van de door verdachte gebezigde uitlatingen niet van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. Ad 2. Het Hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting vzv. hij klaarblijkelijk heeft geoordeeld dat niet in zijn algemeenheid kan worden gezegd dat bij verwerping van een beroep op art. 10 EVRM aan een beroep op art. 261.3 Sr geen zelfstandige betekenis meer kan toekomen. Dit behoeft niet tot cassatie te leiden omdat de kennelijk klacht waarin het middel uitmondt, inhoudende dat het Hof heeft nagelaten bepaaldelijk te beslissen op het op art. 261.3 Sr steunende verweer dat verdachte te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat het ten laste gelegde waar was, feitelijke grondslag mist. Het Hof heeft in zijn samenvatting van de gevoerde verweren uitdrukkelijk overwogen dat verdachte ten verwere heeft aangevoerd dat verdachte “te goeder trouw de overtuiging mocht zijn toegedaan dat de aangever de moordenaar is”, en uiteindelijk geoordeeld dat “de verweren van de verdediging strekkend tot het buiten toepassing laten van de strafbepaling van art. 261 Sr worden verworpen”. Die beslissing is onjuist noch onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat het Hof heeft geoordeeld dat verdachte de vraag of hij vindt dat de aangever o.b.v. het door verdachte verzamelde materiaal zou kunnen worden veroordeeld negatief heeft beantwoord en er “desondanks voor heeft gekozen om telkens formuleringen te bezigen waarbij hij zegt dat aangever de moordenaar is dan wel dat hij overtuigd is van zijn daderschap”.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen