HR 28 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6704
Art. IV.3 Procesreglement van de Strafkamer van de Hoge Raad (Stcrt. 2008, 147). De HR verduidelijkt in voorafgaande beschouwingen de uitleg en toepassing van art. IV.3 Procesreglement betreffende de regeling voor de situatie dat de raadsman die in het cassatiegeding optreedt, bevindt dat het procesdossier niet compleet is. 1. Het ontbreken van een aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a.2 Sv. 2. Geen respons op een gevoerd uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Ad 1. De Hoge Raad rekent tot de klachten over een ontbrekend processtuk ook een middel waarin naar de kern bezien wordt geklaagd dat de verkorte uitspraak niet op de voet van art. 365a.2 Sv is aangevuld met bewijsmiddelen (vgl. HR LJN BG4245). I.c. had de raadsman op de voet van art. IV.3 Procesreglement een verzoek aan de rolraadsheer behoren te doen tot aanvulling van het dossier met het ontbrekende stuk. Dat heeft hij echter nagelaten. Daarop stuit het middel af. Ad 2. In aanmerking genomen dat de overwegingen met betrekking tot de verwerping van bewijsverweren ook mogen worden opgenomen in die aanvulling had de raadsman vanwege het ontbreken van die aanvulling art. IV.3 Procesreglement in acht moeten nemen.
De uitspraak op rechtspraak.nl