HR 4 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO6130
Afwijzing getuigenverzoek. Maatstaf. Aangevoerd wordt dat de getuige was opgegeven in de door de raadsman ingediende appelschriftuur. Bedoelde appelschriftuur bevindt zich niet bij de stukken van het geding. In cassatie is wel overgelegd een stuk inhoudende dat de appelschriftuur is verzonden aan de griffie van de Rechtbank, maar niet een stuk inhoudende dat die schriftuur aldaar is ontvangen. Nu ook anderszins aanwijzingen voor het tegendeel ontbreken, moet het ervoor worden gehouden dat de in cassatie overgelegde appelschriftuur niet aanwezig was in het dossier dat het Hof ter beschikking stond, terwijl onvoldoende grond bestaat voor het ernstige vermoeden dat die schriftuur ter griffie van de Rechtbank is ontvangen en vervolgens in het ongerede is geraakt. Het middel mist dus feitelijke grondslag en kan reeds daarom niet tot cassatie leiden. De HR merkt op dat o.g.v. het samenstel van art. 410.3 en 287 Sv moet worden aangenomen dat de raadsman van de verdachte, die - nadat de voorzitter heeft vastgesteld welke personen als getuigen ter terechtzitting zijn verschenen - constateert dat de door hem in de appelschriftuur opgegeven getuigen niet zijn opgeroepen, bij die gelegenheid zijn bij appelschriftuur gedane verzoek aan de orde dient te stellen en zijn verzoek zo nodig uitdrukkelijk moet herhalen. Indien de raadsman zich alsdan niet uitlaat omtrent de bij appelschriftuur opgegeven en niet opgeroepen getuigen, moet worden aangenomen dat het in de appelschriftuur gedane verzoek niet wordt gehandhaafd. Een nadien op de terechtzitting gedaan verzoek tot het horen van getuigen, ook als die in de appelschriftuur zijn opgegeven, is een verzoek als bedoeld in art. 328 jo. 415 Sv. Maatstaf bij de beslissing op een zodanig verzoek is of de noodzaak daarvan is gebleken.
De uitspraak op rechtspraak.nl