HR 11 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN2297

Profijtontneming. Verwerping verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring OM in de ontnemingsvordering. De HR herhaalt de toepasselijke overwegingen uit HR LJN AK3574. Het middel stelt de vraag aan de orde welk gevolg de rechter aan het verzuim, dat de OvJ bij gelegenheid van zijn requisitoir in de strafzaak wel heeft meegedeeld dat hij voornemens was een ontnemingsvordering in te dienen, maar heeft nagelaten kenbaar te maken dat daartoe een strafrechtelijk financieel onderzoek (sfo) was ingesteld, dient te verbinden. De verplichting tot het kenbaar maken van het indienen van een ontnemingsvordering kan niet op één lijn worden gesteld met die tot het kenbaar maken dat een sfo is ingesteld. Bij eerstgenoemde verplichting is met name de rechtszekerheid in het geding. Het kenbaar maken van de omstandigheid dat een sfo is ingesteld strekt ertoe de betrokkene vanaf dat moment in de gelegenheid te stellen zich in het kader van dat onderzoek te verdedigen. Dat onderscheid brengt mee dat de in HR LJN AK3574 ontwikkelde regel niet zonder meer toepasbaar is op het verzuim om mededeling te doen van een ingesteld sfo. T.a.v. dat verzuim heeft te gelden dat de rechter, voor wat betreft de aan dat verzuim te verbinden gevolgen, zal dienen na te gaan of en zo ja in welke mate de betrokkene door dat verzuim in zijn verdediging is geschaad. Aan de hand daarvan zal de rechter dienen te bepalen welk gevolg aan dat verzuim moet worden verbonden, zoals vermindering van de op te leggen betalingsverplichting of de enkele constatering dat sprake is van een verzuim. Onder omstandigheden is denkbaar dat het verzuim ertoe leidt dat resultaten van het onderzoek die door het verzuim zijn verkregen, niet bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel in aanmerking worden genomen. Voor niet-ontvankelijkheid van de OvJ in de ontnemingsvordering zal slechts in uitzonderlijke gevallen plaats zijn. Het Hof heeft geoordeeld dat aan het verzuim van de OvJ kenbaar te maken dat een sfo was ingesteld geen rechtsgevolg behoeft te worden verbonden op de grond dat de betrokkene door dat verzuim niet in zijn belangen is geschaad. Dat oordeel is onjuist, noch onbegrijpelijk. Daarbij neemt de HR in aanmerking dat door of namens de betrokkene niet is aangevoerd in welke mate hij door het achterwege blijven van bedoelde kennisgeving in zijn belangen is geschaad.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen