HR 19 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM0781

Beklag, beslag, art. 552a Sv, art. 552b Sv en art. 552d Sv. 1. Ontvankelijkheid cassatieberoep. 2. Art. 552a en 552b Sv. Ad 1. Nu klager ten tijde van het uitreiken van de beschikking geen vaste woon- of verblijfplaats hier te lande had, had de beschikking overeenkomstig art. 588.1, sub b onder 3 Sv aan de griffier van de Rb dienen te worden uitgereikt. De uitreiking aan het kantoor van de raadsman kan niet als een rechtsgeldige betekening worden aangemerkt. Anders dan in HR NJ 1995/188 gaat het in de onderhavige zaak niet om een rechtspersoon, waarvoor t.a.v. kennisgeving en betekening van gerechtelijke mededelingen art. 529 Sv een van art. 588 Sv afwijkende regeling is getroffen. In het onderhavige geval is het cassatieberoep ingesteld nadat de bestreden beschikking is gegeven. Nu van een (rechtsgeldige) betekening van die beschikking a.b.i. art. 552d Sv geen sprake is geweest, was de beroepstermijn ten tijde van het instellen van het cassatieberoep niet verstreken. De klager kan daarom in het cassatieberoep worden ontvangen. Ad 2. HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit HR NJ 1994/263 m.b.t. de redelijke wetstoepassing indien de voorwerpen inmiddels verbeurd of onttrokken aan het verkeer zijn verklaard en doorzending naar het bevoegde gerecht. I.c. is het vonnis waarbij het geldbedrag verbeurd is verklaard eerst in de cassatiefase van de beklagzaak onherroepelijk geworden. Dan heeft te gelden dat het klaagschrift moet worden opgevat als een klaagschrift a.b.i. art. 552b Sv. HR vernietigt de bestreden beschikking en verwijst de zaak naar het ex art. 552b.2 Sv bevoegde gerecht. Conclusie AG: anders.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen