HR 14 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8388
Art. 410a en 450.3 Sv. 1. De opvatting dat het het hof niet vrijstond verdachte n.o. te verklaren in het h.b. nadat de voorzitter “verlof” heeft verleend tot de behandeling van de zaak in h.b. als voorzien in art. 410a Sv, is blijkens de wetsgeschiedenis onjuist. 2. Het hof heeft vastgesteld dat de door de raadsman aan de griffie van de rb verzonden brief waarmee hij namens verdachte h.b. wilde instellen geen door de raadsman aan de griffiemedewerker verleende schriftelijke bijzondere volmacht tot het voor verdachte aanwenden van het rechtsmiddel van h.b. inhoudt, noch dat uit deze brief of uit enig ander processtuk blijkt dat de raadsman bepaaldelijk was gevolmachtigd door verdachte om namens deze h.b. in te stellen. Voorts is door het hof vastgesteld dat evenmin is komen vast te staan dat verdachte heeft ingestemd met het door de griffiemedewerker aanstonds in ontvangst nemen van de uitreiking van de oproeping voor de tz. in h.b. Gelet op deze niet onbegrijpelijke vaststellingen heeft het hof terecht geoordeeld dat het h.b. niet is ingesteld overeenkomstig de wettelijke eisen (vgl. HR LJN BJ7810).
De uitspraak op rechtspraak.nl