HR 14 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM3959
1. Onttrekking van minderjarige aan wettig gezag a.b.i. art. 279.1 Sr. 2. Onschuldpresumptie. Ad 1.: ’s Hofs oordeel dat de verdachte in zodanige mate heeft bijgedragen aan de scheiding tussen de minderjarige en haar ouders, waardoor deze buiten het gezag van haar ouders kwam te verkeren dat kan worden gezegd dat verdachte (tezamen met een ander) die minderjarige aan het wettig gezag heeft onttrokken i.d.z.v. art. 279.1 Sr is onjuist noch onbegrijpelijk. Ad 2.: De kennelijk aan het middel ten grondslag liggende opvatting dat art. 6 EVRM meebrengt dat het het Hof niet vrijstond acht te slaan op rapporten van deskundigen, vzv. zij bij de beoordeling van de persoonlijkheid van verdachte zijn uitgegaan van de toentertijd bestaande verdenking jegens verdachte van strafbare feiten, terzake waarvan hij nadien is vrijgesproken of terzake waarvan anderszins geen veroordeling is gevolgd, is onjuist.
De uitspraak op rechtspraak.nl