HR 8 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM0154
Art. 265.2 Sv. Dagvaardingstermijn. Kan een gemachtigd raadsman afstand doen van de dagvaardingstermijn? HR: uitgangspunt is dat ovk. art. 265.3 Sv het onderzoek wordt geschorst indien verdachte geen toestemming tot verkorting van de termijn voor dagvaarden geeft. Als verdachte is verschenen bestaat die verplichting niet, tenzij verdachte in het belang van zijn verdediging uitstel verzoekt. Een dergelijk verzoek kan slechts worden afgewezen op de aan het slot van art. 265.3 Sv genoemde grond, te weten dat verdachte door het afwijzen redelijkerwijs niet in zijn verdediging kan worden geschaad wanneer het onderzoek wordt voortgezet. Die regeling strekt ertoe te verzekeren dat verdachte niet wordt beknot in zijn recht om t.t.z. aanwezig te zijn noch in de tijd die nodig is om zijn verdediging voor te bereiden, in het geval de voor dagvaarding voorgeschreven termijn niet in acht is genomen en verdachte voor die verkorting geen toestemming heeft gegeven. Redelijke wetstoepassing brengt daarom mee aan te nemen dat indien in een dergelijk geval verdachte t.t.z. niet is verschenen, maar wel een op de voet van art. 279 Sv voor hem optredende raadsman de rechter niet gehouden is het onderzoek te schorsen, tenzij de gemachtigde raadsman uitstel verzoekt op de grond dat de verdachte t.t.z. aanwezig wenst te zijn en/of op de grond dat uitstel is geboden in het belang van (de voorbereiding) van de verdediging. Voor afwijzing van een op eerstgenoemde grond gedaan verzoek is geen plaats. Bij de beslissing op een verzoek dat enkel stoelt op de als tweede genoemde grond is het slot van art. 265.3 Sv van overeenkomstige toepassing.
De uitspraak op rechtspraak.nl