HR 21 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7688

Beroep op bewijsuitsluiting. Vordering OvJ tot het verstrekken van gegevens, art. 126nd Sv. De opvatting dat aan een verzoek van de politie tot afgifte van beelden die zijn vastgelegd d.m.v. een videocamera, in gebruik met het oog op de beveiliging van personen, gebouwen, terreinen, zaken en productieprocessen, een vordering van de OvJ als bedoeld in art. 126nd Sv ten grondslag dient te liggen, is juist. Vooropgesteld zij dat de onderhavige beelden, gelet op art. 1 van de Wet bescherming persoonsgegevens, onder het bereik van die wet vallen en dat blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van art. 126nd Sv de opsporingsambtenaar of de OvJ dan niet mag vragen om op vrijwillige basis mee te werken aan het verstrekken van die beelden. Gelet hierop is de verwerping van het verweer ontoereikend gemotiveerd. Dit behoeft gelet op het volgende echter niet tot cassatie te leiden. De Hoge Raad herhaalt toepasselijke overwegingen uit HR LJN BH8889 en HR LJN AM2533, NJ 2004/ 376. Gelet daarop en in aanmerking genomen dat het betoog van de raadsman niet de gevolgtrekking kan wettigen dat door het optreden van de politie een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden, heeft het Hof het gevoerde verweer terecht verworpen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen