HR 1 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL3181

Art. 180.3 WVW 1994, tenuitvoerlegging OBM. Uit de bewoordingen van de in art. 180 WVW 1994 neergelegde regeling volgt dat juist is de opvatting dat aan de eisen van art. 180.3 WVW 1994 slechts is voldaan indien het daar bedoelde schrijven aan veroordeelde in persoon is uitgereikt op een tijdstip gelegen ná het tijdstip waarop de rechterlijke beslissing waarbij de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen is ontzegd, onherroepelijk is geworden. Het Hof is i.c. blijkens zijn overwegingen van een andere opvatting uitgegaan. Opmerking verdient nog dat de opvatting dat voor een veroordeling t.z.v. overtreding van art. 9.1 WVW 1994 is vereist dat uit de door de rechter gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat bedoeld schrijven inhoudt “het tijdstip van ingang en de duur van de ontzegging, de verplichting tot uitlevering van het rijbewijs uiterlijk tot dat tijdstip alsmede het gevolg van niet tijdige inlevering”, geen steun vindt in het recht.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen