HR 26 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK9154
Procesrecht/Internationale Rechtsmacht. Staat 14 jaar na veroordeling bij verstek in verzet gekomen. Een miskenning van een voorrecht van immuniteit van jurisdictie maakt het verstekvonnis nog niet van rechtswege nietig. Gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen dient de bij verstek veroordeelde binnen de daarvoor gestelde termijn het rechtsmiddel van verzet in te stellen. Ter effectuering van het in art. 6 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter kan de bij verstek veroordeelde, indien zwaarwegende bezwaren zich er tegen verzetten dit rechtsmiddel binnen de verzettermijn in te stellen, waardoor dit rechtsmiddel in de kern zou worden aangetast, een beroep doen op een zekere verruiming van de termijn (vgl. HR 25 februari 2000, NJ 2000, 509). Dat een - op de juiste wijze gedagvaarde - vreemde Staat zich zou kunnen beroepen op immuniteit van jurisdictie staat aan verstekverlening niet in de weg. De rechter dient ambtshalve na te gaan of hem rechtsmacht toekomt, maar behoeft niet ambtshalve te onderzoeken of de omstandigheden van het geval een beroep op immuniteit van jurisdictie wettigen (vgl. HR 25 november 1994, NJ 1995, 650). Europese Overeenkomst inzake de immuniteit van Staten en Aanvullend Protocol van 16 mei 1972, Trb. 1973, 43 kan zich, als regel van internationaal gewoonterecht, lenen voor overeenkomstige toepassing op door die overeenkomst niet bestreken gevallen (vgl. HR 5 februari 2010, LJN BK6673). Daad van bekendheid, die tot niet ontvankelijkheid leidt?
De uitspraak op rechtspraak.nl