HR 15 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6142

Opsporingsbevoegdheid opsporingsambtenaren Koninklijke marechaussee. Art. 1 Aanwijzingsbeschikking opsporingsambtenaren Koninklijke marechaussee jo. art. 141 (oud) Sv en art. 6 Politiewet 1993. Beslissend voor de vraag of de bedoelde onderofficieren opsporingsbevoegdheid hadden is of zij toen werkzaam waren in de uitoefening van de hun bij art. 6 Politiewet 1993 opgedragen taken. 's Hofs oordeel dat de Koninklijke marechaussee opsporingsactiviteiten ontplooide ter uitvoering van de politietaak tbv. de Nederlandse strijdkrachten, waarin besloten ligt het oordeel dat ook (de ondersteunende diensten van) het Ministerie van Defensie onder het begrip "strijdkrachten" vallen, geeft blijk van een te ruime, en dus onjuiste uitleg van het begrip "strijdkrachten" a.b.i. art. art. 6.1.b Politiewet 1993. Tevens doet zich i.c. niet het geval voor waarin de Koninklijke marechaussee een eigen politietaak uitoefende, zodat de opsporingsbevoegdheid evenmin kan worden gebaseerd op art. 6.1.d Politiewet 1993. Het Hof is aldus uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting en het heeft het verweer dat de opsporingsambtenaren van de Koninklijke marechaussee niet bevoegd waren tot opsporing, op ontoereikende gronden verworpen. Nochtans behoeft dat niet tot cassatie te leiden, nu de (mede) door de onderofficieren van de Koninklijke marechaussee opgemaakte pv’s niet kunnen worden aangemerkt als pv’s in de zin van art. 344.1 onder 2º Sv. Zij hebben te gelden als andere geschriften i.d.z.v. art. 344.1 onder 5º Sv die alleen in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen voor het bewijs mogen worden gebezigd. Die geschriften kunnen elkaar over en weer ondersteunen, wat in de onderhavige zaak het geval is.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen