HR 19 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK3348
Grondslag vordering TUL en (mondelinge) wijziging daarvan; art. 14g.1 jo. 14i.6 Sr. De Hoge Raad herhaalt relevante overwegingen uit HR LJN AB0609. HR: Het Hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de AG bij de behandeling van de zaak in hb door bevestiging te vorderen van het vonnis van de Rb (waarin de toewijzing van de vordering TUL was gegrond op de bewezenverklaring in zaak A subsidiair en C onder 1) de grondslag van de vordering TUL aldus heeft gewijzigd dat zij erop is komen te berusten dat verdachte zich vóór het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan de strafbare feiten die in de zaken A en C zijn tenlastegelegd. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. Conclusie AG: anders.
De uitspraak op rechtspraak.nl