HR 19 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ3574

OM-cassatie en cassatie verdachte. Grondslagverlating. Onjuiste uitleg van de aan art. 197a Sr ontleende term “wederrechtelijk”. De HR herhaalt relevante overwegingen uit HR LJN BA8499 t.a.v. het begrip ‘wederrechtelijk verblijf’. Ingevolge het ttv. de tenlastegelegde feiten toepasselijke art. 62.1 Vb dient een vreemdeling met een visum inzake kort verblijf onverwijld aan de korpschef der gemeente waar hij verblijft te melden dat hij arbeid gaat verrichten. Ingevolge art. 8.1.a Vw is het hem slechts toegestaan in NL te verblijven, indien en zolang hij het bij en krachtens de Vw bepaalde in acht neemt. Aan de vreemdeling die zich niet aan de desbetreffende voorwaarden houdt, is het verblijf als wederrechtelijk i.d.z.v. art. 197a Sr aan te merken. Anders dan het Hof kennelijk veronderstelt, doet daaraan niet af dat art. 19.1 SUO bepaalt dat vreemdelingen die houder zijn van een eenvormig visum en die daarmee het grondgebied van een overeenkomstsluitende staat op regelmatige wijze zijn binnengekomen, zich op dat grondgebied vrij mogen verplaatsen zolang dat visum niet verlopen is of totdat het visum is ingetrokken. Genoemde overeenkomst ziet immers - naar niet voor redelijke twijfel vatbaar is - op de toelating, maar niet op de voorwaarden waaraan het verblijf van een vreemdeling in een van de bij de overeenkomst aangesloten staten is verbonden, terwijl art. 23 SUO bepaalt dat de vreemdeling die niet of niet meer voldoet aan de in de desbetreffende staat geldende voorwaarden tot kort verblijf, in beginsel het grondgebied van die staat onverwijld moet verlaten. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat het Hof voor wat betreft de in het middel bedoelde personen is uitgegaan van een verkeerde uitleg van de in de tll. voorkomende term "wederrechtelijk". Het Hof heeft derhalve verdachte in zoverre vrijgesproken van iets anders dan hem was tenlastegelegd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen