HR 9 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ3247
Art. 197a Sr. Mensensmokkel. 1. ‘Wederrechtelijke doorreis’. 2. Begrip ‘weten’ i.d.z.v. art. 197a.1 Sr. Ad 1. De opvatting dat een rechtmatig verblijf van iemand in NL o.g.v. art. 8.ahf.f of g Vreemdelingenwet 2000 uitsluit dat die persoon wederrechtelijk doorreist i.d.z.v. art. 197a Sr, is onjuist. In aanmerking genomen ’s Hofs vaststellingen in de bewijsmiddelen en in de nadere bewijsoverweging, alsmede gelet op de geschiedenis en de achtergrond van de totstandkoming van art. 197a.1 Sr, waaruit blijkt dat de doelstelling van die bepaling is gelegen in het tegengaan van mensensmokkel, geeft ’s Hofs oordeel dat er sprake was van een wederrechtelijke doorreis a.b.i. art. 197a.1 Sr geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. Ad 2. Uit de wetsgeschiedenis t.a.v. het delictsbestanddeel ‘terwijl hij weet of ernstige redenen heeft te vermoeden dat die toegang of doorreis wederrechtelijk is’ moet worden afgeleid dat de wetgever ook het voorwaardelijk opzet daaronder heeft begrepen.
De uitspraak op rechtspraak.nl