HR 6 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ3301

1. Art. 423.1 Sv, verzoek terugwijzing zaak naar de rb. 2. Voorwetenschap i.d.z.v. art. 46.2 Wte 1995. 3. Bewijsklacht. 4. Toepassen gunstiger bepalingen i.d.z.v. art. 1.2 Sr na wetswijziging van de artt. 46 en 46a Wte van 1 oktober 1995. 5. Strafoplegging. Ad 1. De HR herhaalt relevante overwegingen uit HR NJ 1996, 557. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de zaak door de rb ten gronde is behandeld op de ttz-en van 8 en 15 december 2005, is het oordeel van het Hof - hierop neerkomend dat al hetgeen is aangevoerd m.b.t. de ttz van de rb van 5 januari 2006 niet kan leiden tot inwilliging van het verzoek tot terugwijzing van de zaak naar de rb - juist. Ad 2. Voor zover het middel berust op de opvatting dat de voorwetenschap informatie dient te betreffen ten aanzien waarvan geheimhouding is overeengekomen, faalt het. Blijkens de wetsgeschiedenis heeft de wetgever er immers expliciet voor gekozen dat voor strafbaarheid van handel met voorwetenschap i.d.z.v. de Wte 1995 niet langer is vereist dat de betrokkene weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de bijzonderheid waarmee hij handelde niet openbaar is en niet zonder schending van een geheim buiten de kring van de geheimhoudingsplichtigen kan komen of is gekomen. In de overwegingen van het Hof ligt als zijn oordeel besloten dat de onderhavige koersgevoelige informatie niet openbaar was gemaakt in de zin van art. 46, tweede lid onder a (oud) Wte 1995. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat - naar het Hof klaarblijkelijk uit het tot het bewijs gebezigde persbericht van 30 november 1999 heeft afgeleid - de onderhavige informatie in de in de bewezenverklaring genoemde periode (6 oktober 1999 tot en met 25 oktober 1999) niet kenbaar was voor het beleggend publiek. Ad 3. Uit de omstandigheid dat verdachte zijn wetenschap inzake het voornemen om [A] BV van de markt te halen aan een derde, te weten zijn broer, heeft medegedeeld met de bedoeling economisch voordeel te behalen door de aankoop en latere verkoop van aandelen [A] BV, heeft het Hof kunnen afleiden dat verdachte daarbij niet handelde in de normale uitoefening van zijn functie als bestuurder van [E] Holding NV. Het oordeel van het Hof dat verdachte de voorwetenschap anders dan in de normale uitoefening van zijn werk, beroep of functie heeft medegedeeld aan een derde, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Dat verdachtes broer commissaris was van [E] Holding NV noopte het Hof i.c. niet tot een ander oordeel noch tot een bredere motivering. Ad 4. Het middel faalt omdat blijkens de wetsgeschiedenis geen sprake is van een gewijzigd inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van vóór de wetswijziging gepleegde feiten aangezien het gaat om een vanaf de wetswijziging te bewerkstelligen harmonisatie. Ad 5. De in 's Hofs overwegingen besloten liggende opvatting dat onder goederen i.d.z.v. art. 6.1 WED mede begrepen zijn andere vermogensbestanddelen, is juist. Het middel, dat uitgaat van een andere opvatting, faalt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen