HR 13 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI6269
Wet voorkeursrecht gemeenten (Wvg). Art. 26 lid 1 Wvg. Economisch belang bij gronden grotendeels komen te liggen bij ontwikkelaars aan wie ook de beschikkingsmacht voor onbeperkte duur in belangrijke mate is overgedragen. Maatstaf beroep op nietigheid ex art. 26 lid 1 Wvg (vgl. HR 27 juni 2008, NJ 2009, 79): rechtshandelingen die weliswaar niet leiden tot vervreemding tijdens bestaan voorkeursrecht, maar waarbij beschikkingsmacht over en economisch belang bij grond in enigerlei mate aan een derde worden overgedragen, zijn vernietigbaar. Met vestiging gemeentelijk voorkeursrecht verwerft gemeente niet het economisch eigendom. Art. 26 Wvg niet in strijd met art. 1 Eerste Protocol EVRM. Nietigheid ex art. 26 Wvg geldt erga omnes. Art. 26 Wvg beperkt aldus de mogelijkheden van eigenaren van gronden waarop een gemeentelijk voorkeursrecht rust, om met derden een opzet tot stand te brengen waarmee onteigening van die gronden kan worden voorkomen met een beroep op zelfrealisatie van de bestemming. Vestiging hypotheek op onroerend goed waarop voorkeursrecht rust, is niet per definitie verricht met kennelijke strekking afbreuk te doen aan voorkeursrecht; indien echter de hypotheek is gevestigd tot zekerheid voor aflossing schulden uit overeenkomst met dergelijke strekking of onderdeel uitmaakt van geheel van rechtshandelingen met die strekking dan valt zij binnen het bereik van art. 26 Wvg.
De uitspraak op rechtspraak.nl