HR 8 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI5739

Wet aansprakelijkheidsverzekering motorvoertuigen (WAM). Verdachte is veroordeeld voor overtreding van art. 30 WAM, maar legt een art. 34 WAM verklaring over, die echter niet door het Hof wordt geaccepteerd nu die art. 34 WAM-verklaring ziet op een ander type voertuig, te weten een voertuig dan niet harder kan dan 25 km/u terwijl het voertuig i.c. harder kan. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat de WAM ertoe strekt de vergoeding van door benadeelden, a.b.i. art . 1 WAM, geleden schade zoveel mogelijk te waarborgen. Hoewel het verzwijgen van de verzekeraar tegenover de verzekering gevolgen kan hebben voor de geldigheid van de verzekering en de omvang van de dekking in de verhouding tussen verzekeraar en verzekerde, kan dit niet door de verzekeraar aan de benadeelde worden tegengeworpen (vgl. Benelux Gerechtshof NJ 1988, 607). Mitsdien is, indien de gesloten verzekeringovereenkomst voldoet aan het bepaalde in de artt. 2 t/m 4 WAM – vzv. toepasselijk – sprake van een “verzekering overeenkomstig de wet” a.b.i. art. 30 WAM, ook indien in deze verhouding eerstbedoelde niet tot uitkering verplicht is wegens bijv. het verzwijgen van bepaalde eigenschappen van het motorvoertuig (vgl. Benelux Gerechtshof NJ 1990, 284). Klaarblijkelijk ligt aan het oordeel van het Hof een andere en derhalve onjuiste rechtopvatting ten grondslag.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen