HR 22 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI5623

OM-cassatie. Belediging ex art. 266 jo. 267 Sr. Grondslagverlating? Een uitlating die jegens iemand mondeling in zijn tegenwoordigheid is gedaan, moet als beledigend worden beschouwd i.d.z.v. art. 266 Sr i.v.m. art. 267 Sr, indien zij de strekking heeft die ander aan te randen in zijn eer en goede naam. Daarvan is i.h.a. sprake indien de uitlating woorden bevat die op zichzelf genomen een beledigend karakter hebben. In het licht van ’s Hofs vaststelling dat de door verdachte geuite woorden (“sukkels, “klootzakken”, “loosers”, “kankerlijers”) op zichzelf beschouwd beledigend zijn, getuigt zijn oordeel dat “de door verdachte geuite bewoordingen i.c. geen belediging opleveren”, van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de term “belediging” a.b.i. art. 266 jo. 267 Sr. De omstandigheden waaronder die uitlatingen zijn gedaan, zijn – anders dan het Hof heeft geoordeeld, van onvoldoende gewicht om daaraan het beledigend karakter te ontzeggen. ’s Hofs opvatting van politieagenten een zeker incasseringsvermogen mag worden verwacht vindt geen steun in het recht (HR LJN AA9745).

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen