HR 8 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI4080

1. Voorbedachte raad. 2. Tegenonderzoek (contra-expertise). Ad 1. HR herhaalt relevante overweging uit HR LJN AE1743 en BI4070 m.b.t. voorbedachte raad. Het Hof heeft geoordeeld dat de levensberoving niet het gevolg is geweest van een onmiddellijke gemoedsbeweging, doch dat verdachte tijd en gelegenheid heeft gehad zich op dit voornemen te bezinnen. Blijkens deze overweging heeft het Hof de maatstaf niet miskend, zodat zijn oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt. Dat oordeel is evenmin onbegrijpelijk, nu het Hof heeft vastgesteld dat de verschillende handelingen van verdachte “geruime tijd” in beslag hebben genomen. Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR LJN AR7228 m.b.t. tot het verzoek tot het doen verrichten van een tegenonderzoek. ‘s Hofs oordeel komt erop neer dat het verzoek onvoldoende aanknopingspunten biedt voor de noodzaak van een dergelijk onderzoek. Gelet op de vaststellingen van het Hof dat de bevindingen en de conclusies van de deskundigen ieder voor zich in essentie inhouden dat er geen ruimte is voor de mogelijkheid dat het slachtoffer zelfstandig en op eigen kracht in de modderbodem is terecht gekomen op de wijze waarop zij is aangetroffen doch dat zij daar door een externe kracht gebracht moet zijn geeft dit oordeel geen blijk van miskenning van de te dezen aan te leggen maatstaf, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. Het Hof is niet vooruitgelopen op de bevindingen van een eventueel te verrichten onderzoek. De HR neemt tevens in aanmerking dat voornoemde deskundigen als getuigen ttz. zijn gehoord en dat de verdediging de gelegenheid heeft gehad aan de deskundigen vragen te stellen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen