HR 20 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI4051
Economische zaak. Richtlijn 92/102/EEG m.b.t. de identificatie en registratie van dieren. Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (GWWD). 1. Vrijstelling of ontheffing ingevolge art. 107 GWWD. 2. Overmacht. Ad 1. De opvatting dat de in art. 34.1 (oud) Regeling voorziene oormerkverplichting voor schapen en geiten in strijd is met de Richtlijn, nu die Richtlijn op een zodanige wijze in de NL wet- en regelgeving had moeten zijn geïmplementeerd dat was voorzien in een mogelijkheid tot vrijstelling of ontheffing van de oormerkverplichting voor die veehouders die op hun bedrijf voor hun schapen en geiten een ander sluitend registratie- en identificatiesysteem bezigen, is onjuist. Het is gelet op art. 5.3 jo. art. 3.2 Richtlijn niet voor redelijke twijfel vatbaar dat het de Lidstaten niet is toegestaan in hun nationale regelingen vrijstelling of ontheffing mogelijk te maken van die oormerkverplichting en dat de mogelijkheid tot vrijstelling is beperkt tot die gevallen waarin een Lidstaat na de procedure a.b.i. art. 18 Richtlijn 90/425/EEG een machtiging van de Europese Commissie tot het verlenen van een vrijstelling heeft verkregen. Van die mogelijkheid is t.a.v. de verplichting i.c. tot oormerken door NL geen gebruik gemaakt. Dit betekent dat verdachte t.a.v. de in de bewezenverklaring genoemde schapen en geiten geen vrijstelling a.b.i. art. 107 GWWD kon worden verleend. Ad 2. Het Hof heeft bij de verwerping van het beroep op overmacht miskend dat aan verdachte geen vrijstelling a.b.i. art. 107 GWWD kon worden verleend. Dat behoeft niet tot cassatie te leiden, omdat het Hof het verweer terecht heeft verworpen. Het betreft i.c. een - ter uitvoering van een verplichting van de Europese regelgever - ingevolge en krachtens art. 40.2 GWWD gestelde verplichting, in welk artikellid is voorzien in een uitzondering op het in het verweer aangeroepen voorschrift van het eerste lid van art. 40 GWWD (vgl. HR LJN BC8651).
De uitspraak op rechtspraak.nl