HR 16 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1375

Art. 51 Sv. Aan de cassatieschriftuur is een brief gehecht waarin de raadsman van verdachte zich stelt als haar raadsman in de zaak i.c., en een transactierapport waaruit is af te leiden dat die brief op de datum van de brief is verzonden naar het faxnummer van de strafgriffie van het Hof. Bij de cassatieschriftuur is niet overgelegd een brief van de griffier van het Hof waarin de ontvangst van de genoemde brief is bevestigd. Een dergelijke ontvangstbevestiging bevindt zich evenmin bij de aan de HR toegezonden stukken. Het moet daarom ervoor worden gehouden dat die brief niet aanwezig was in het dossier dat het Hof ter beschikking stond bij de behandeling van de strafzaak i.c. De inhoud van het verzendrapport op de hiervoor bedoelde brief die het juiste parketnr. van de zaak in 1e aanleg bevat, biedt echter voldoende grond voor het ernstig vermoeden dat die brief wel ter griffie van het Hof is ontvangen doch aldaar vervolgens in het ongerede is geraakt. In cassatie moet daarom ervan worden uitgegaan dat zich wel een raadsman had gesteld en dat art. 51.2 Sv niet is nageleefd. Dit in het belang van de verdachte gegeven voorschrift is van zo grote betekenis, dat, al wordt dat niet uitdrukkelijk in de wet bepaald, de niet-nakoming ervan moet worden geacht aan een geldige behandeling van de zaak t.t.z. buiten tegenwoordigheid van verdachte en diens raadsman in de weg te staan.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen