HR 13 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1325

Art. 31 Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van 28 juli 1951 (Vluchtelingenverdrag). Het oordeel van het Hof dat berust op de opvatting dat voor de beoordeling van een beroep op art. 31 Vluchtelingenverdrag een onderscheid moet worden gemaakt tussen "illegal entry or presence" enerzijds en het daarmee samenhangende bezit van valse identiteitspapieren anderzijds, is onjuist, omdat zij onvoldoende recht doet aan de bedoeling van art. 31 Vluchtelingenverdrag om vluchtelingen, onder nadere, in het kader van de ontvankelijkheid van het OM in de vervolging te beoordelen voorwaarden, te vrijwaren van vervolging wegens "illegal entry or presence". Immers, bij een andere opvatting zou de met die bepaling beoogde bescherming van vluchtelingen ernstig tekort worden gedaan.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen