HR 22 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0522

1. Taakverdeling straf- en bestuursrechter. 2. Verbindendheid Wet herstructurering varkenshouderij (Whv). Ad 1. I.c. heeft het CBB verdachte ontvangen in haar beroep tegen de beslissing van het Bureau Heffingen en vervolgens dit beroep ongegrond verklaard. In een dergelijk geval waarin verdachte de bestuursrechtelijke rechtsgang heeft gevolgd, geldt i.v.m. met een behoorlijke taakverdeling tussen de strafrechter en de bestuursrechter en met het oog op het voorkomen van tegenstrijdige uitspraken, dat indien het bestreden besluit door de bestuursrechter bij onherroepelijke uitspraak in stand is gelaten, zulks in beginsel eraan in de weg staat dat de strafrechter verweren m.b.t. de juistheid en de rechtmatigheid van het besluit zelfstandig onderzoekt en daarop beslist. Onder bijzondere omstandigheden kan aanleiding bestaan hierop een uitzondering te maken (vgl. HR LJN AE2126). Gelet op dit uitgangspunt en in aanmerking genomen dat niet blijkt dat door of namens verdachte een beroep is gedaan op bijzondere omstandigheden die aanleiding geven hierop een uitzondering aan te nemen, faalt het middel. Ad 2. ’s Hofs oordeel dat de Whv niet onverbindend is wegens strijd met art. 1 Eerste Protocol EVRM, is juist. Gelet op het 2e lid van die bepaling kan echter in gevallen als i.c. niet worden uitgesloten dat o.g.v. de omstandigheid dat de getroffen maatregelen voor de betrokkene i.v.m. bijzondere, niet voor alle varkenshouders geldende f&o een "individual and excessive burden" vormen, zodat de desbetreffende bepalingen van de Whv buiten toepassing moeten worden gelaten, althans zolang niet is voorzien in een adequate financiële compensatie (vgl. HR LJN AD5493). Gelet op de taakverdeling tussen de strafrechter en de bestuursrechter is het Hof terecht uitgegaan van de juistheid van de uitspraak van het CBB. In het licht van de overwegingen van het CBB moeten 's Hofs overwegingen aldus worden verstaan dat aan de verwerping van het gevoerde verweer mede ten grondslag ligt het oordeel dat zich niet een bijzonder geval als hiervoor bedoeld voordeed en dat de maatregelen die i.h.k.v. de Whv i.c. zijn getroffen, geen onevenredige inbreuk op de belangen van verdachte inhouden en geen "individual and excessive burden" vormen i.d.z.v. art. 1.2 Eerste Protocol EVRM, zodat er geen grond is de Whv buiten toepassing te laten. Dat oordeel is onjuist noch onbegrijpelijk.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen