HR 26 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH5357
Herziening. 1. Art. 68 Sr en art. 54 SUO. 2. Verzoek om nader onderzoek. Ad 1. Aanvrager voert aan dat het OM n-o had moeten worden verklaard o.g.v. art. 68 Sr en art. 54 SUO nu hij t.z.v. dezelfde feiten is veroordeeld in België en NL. In de aanvrage wordt echter niet aangevoerd dat de in België opgelegde straf geheel ten uitvoer is gebracht dan wel dat aan aanvrager gratie is verleend of dat de opgelegde straf is verjaard, zodat reeds daarom niet uit de aanvrage blijkt van strijd met art. 68.2 Sr, dan wel art. 54 SUO. Ad 2. Aangevoerd wordt dat een aantal mappen met originele vrachtbrieven zich niet bij de stukken hebben bevonden maar dat is gebleken dat die mappen zich bij de FIOD in Roermond bevinden en dat naar die mappen nader onderzoek moet worden gedaan. HR herhaalt uit HR LJN BA1024 dat aanvrager niet kan volstaan met het aanvoeren van een novum met het doel dat de HR daarnaar een nader onderzoek zal (doen) verrichten en dat het aan aanvrager is om tot op zekere hoogte aannemelijk te maken dat en waarom de eerder oordelende rechter tot een beslissing a.b.i. art. 457.1.2º Sv zou zijn gekomen als hij t.t.v. de behandeling van de strafzaak op de hoogte was geweest van hetgeen in de herzieningsaanvrage naar voren is gebracht. Aanvraag ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl