HR 21 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH4080
Bewijs schuldheling. Onderzoeksplicht. Verdachte had de beschikking over een huurauto, heeft - in strijd met de instructie van zijn vriendin die hem de auto ter beschikking had gesteld - de auto uitgeleend aan derden en trof op een gegeven moment in de kofferbak een plastic boodschappentas aan (waarin gestolen sieraden zijn aangetroffen). Hij heeft vervolgens deze tas verplaatst zonder van de inhoud kennis te nemen. In zijn nadere bewijsoverweging heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat o.g.v. de door het Hof vastgestelde omstandigheden op verdachte de plicht rustte de plastic boodschappentas te openen en na te gaan wat zich daarin bevond. De HR acht dat oordeel, onder verwijzing naar de conclusie AG, niet zonder meer begrijpelijk. De conclusie AG houdt in dat de genoemde omstandigheden van onvoldoende gewicht zijn om de door het Hof aangenomen onderzoeksplicht te rechtvaardigen. De AG merkt voorts nog op dat de stelling dat verdachte pas een verwijt had kunnen worden gemaakt van de aanwezigheid van gestolen sieraden in de tas wanneer hij minstgenomen had geweten dat zich in de tas sieraden bevonden, niet opgaat omdat dat zou betekenen dat louter de onbekendheid met de inhoud van een pakket aan het aannemen van schuldheling in de weg zou staan, ook al zou er alle reden zijn de inhoud daarvan te wantrouwen.