HR 19 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1476

OM-cassatie. 1. Art. 97 Sv. 2. Vormverzuim, 359a Sv. Ad 1. De eerst en derde klacht berusten op de opvatting dat het wettelijk systeem van toedeling van de bevoegdheid tot doorzoeking ten inbeslagneming van een woning zonder toestemming van de bewoner meebrengt dat de beslissing van de RC tot het verstrekken van een machtiging a.b.i. art 97 Sv niet door de zittingsrechter kan worden getoetst. De opvatting is onjuist. De tweede klacht berust op de opvatting dat in art. 97 Sv de "de OvJ" wordt gedoeld op de zaaksOvJ. Voor die opvatting kan noch in de tekst noch in de geschiedenis van die bepaling steun worden gevonden. De klacht treft geen doel. Ad 2. HR herhaalt toepasselijke regels m.b.t. art. 359a Sv uit HR LJN AM2533. Niet blijkt dat het Hof bij het oordeel dat het verzuim tot bewijsuitsluiting dient te leiden rekening heeft gehouden met de ernst van het verzuim en met het nadeel dat door het verzuim is veroorzaakt. De bestreden uitspraak is in dat opzicht dus ontoereikend gemotiveerd. Het middel klaagt daarover terecht.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen