HR 13 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9602

Wots-zaak. De motivering van de straf, die blijft binnen de grenzen die art. 8.5.c van het toepasselijke Verdrag tussen de Lid-staten van de EG inzake de tenuitvoerlegging van buitenlandse strafvonnissen (Trb. 1992, 39) stelt, voldoet aan de in art. 31.1 WOTS gestelde eisen. Blijkens de door haar opgelegde straf en de motivering daarvan heeft de Rb immers, uitgaande van de door de Duitse rechter opgelegde straf en gelet op de NL regeling m.b.t. de vervroegde invrijheidstelling, een straf opgelegd van een zodanige duur dat de feitelijk te ondergane vrijheidsbeneming niet langer is dan de duur van de detentie die veroordeelde in het voor hem gunstigste geval in Dld zou hebben moeten ondergaan.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen