HR 21 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4270

OM-cassatie. Ontnemingsvordering t.a.v. feit a.b.i. art. 36e.2 Sr waarvoor betrokkene niet afzonderlijk is vervolgd. HR herhaalt relevante overwegingen m.b.t. ontneming t.a.v. feiten a.b.i. art. 36e.2 Sr in het licht van art. 6 EVRM uit HR LJN BC2319. I.c. is de vraag aan de orde of het een feit betreft waarvan betrokkene is vrijgesproken. Indien in de op art. 140 Sr toegesneden t.l.l. de daarin bedoelde deelneming van verdachte aan de (criminele) organisatie aldus is omschreven dat deze (mede) heeft bestaan uit het begaan van het concrete misdrijf a.b.i. art. 225 Sr, kan tegen degene die is vrijgesproken van dit onderdeel van die t.l.l. een ingestelde ontnemingsvordering niet worden toegewezen (HR LJN ZD0583). Gelet daarop en in aanmerking genomen dat het Hof heeft vastgesteld enerzijds dat betrokkene is vrijgesproken van het verwijt dat hij heeft deelgenomen aan een organisatie die het plegen van valsheid in geschrift tot oogmerk had en anderzijds dat het feit waarop de ontnemingsvordering i.c. betrekking heeft, de door verdachte zelf gepleegde valsheid in geschrift betreft, is ’s Hofs afwijzing van de vordering ontoereikend gemotiveerd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen