HR 10 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG3504

Onttrekking aan het verkeer tav ad informandum gevoegd feit.’s Hofs oordeel t.a.v. het horloge waarop het ad informandum gevoegde feit ziet, berust kennelijk op de opvatting dat de afdoening van een ad informandum gevoegd feit kan worden gelijkgesteld met een “rechterlijke uitspraak waarbij iemand wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld” a.b.i. art. 36b.1.1º, Sr dan wel met een “rechterlijke uitspraak waarbij, niettegenstaande vrijspraak of ovar, wordt vastgesteld dat een strafbaar feit is begaan” zoals bedoeld in art. 36b1.3° Sr. Die opvatting is onjuist. Het gaat bij de voeging ad informandum om een buitenwettelijke afdoening van strafbare feiten waarbij de rechter met die gevoegde feiten rekening mag houden in de strafoplegging t.z.v. een volgens de normale regels tlgd. en bewezenverklaard strafbaar feit. In art. 36b Sr wordt met “rechterlijke uitspraak” gedoeld op een rechterlijke uitspraak over een ex art. 261 Sv tlg. feit (vgl. HR NJ 1981, 499). In het verlengde hiervan wordt, in gevallen als i.c. waarin de onttrekking bij rechterlijke einduitspraak wordt bevolen, met het “feit” in art. 36c en art. 36d Sr eveneens gedoeld op een aldus tlgd. feit.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen