HR 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BF2082

Verklaring getuige wiens identiteit niet blijkt. Ingevolge het ook in h.b. toepasselijke art 360.1 en art. 360.4 Sv behoort de rechter het gebruik voor het bewijs van een schriftelijk bescheid houdende de verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt, a.b.i. art. 344a.3 Sv, op straffe van nietigheid te motiveren. Dit betekent dat de rechter zal moeten aangeven dat aan de eisen van art. 344a.3 Sv is voldaan terwijl hij tevens blijk ervan dient te geven zelfstandig de betrouwbaarheid van de anonieme verklaringen te hebben onderzocht (HR LJN ZD1460). De term “een persoon wiens identiteit niet blijkt” omvat niet personen wier persoonsgegevens weliswaar niet (volledig) zijn vermeld in het p-v waarin hun verklaringen zijn opgenomen, maar van wie vaststaat dat zij wel zodanig kunnen worden geïndividualiseerd dat de verdediging desgewenst hun verhoor als getuige door de RC of ttz. kan verzoeken (vgl. HR LJN AE1195). Gelet daarop behoefde het Hof de verklaring niet op te vatten als een verklaring van een persoon wiens identiteit niet blijkt. De verklaring houdt immers in dat zij is afgelegd door de vrouw van het slachtoffer van wie de persoonsgegevens bekend zijn. T.a.v. een andere getuigeverklaring heeft het Hof in strijd met art. 360.1 Sv nagelaten het gebruik daarvan nader te motiveren.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen