HR 28 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BE9812
Begrip “één inrichting” a.b.i. art. 1.1.4 Wmb. Als één inrichting moeten worden beschouwd “de tot eenzelfde onderneming of instelling behorende installaties die onderling technische, organisatorische of functionele bindingen hebben en in elkaars onmiddellijke nabijheid zijn geleggen”. Hetgeen door het Hof feitelijk is vastgesteld, biedt onvoldoende grondslag voor het oordeel dat te dezen sprake is van één inrichting in voormelde zin.
De uitspraak op rechtspraak.nl