HR 8 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD6046
Profijtontneming. Het middel neemt als uitgangspunt dat o.g.v. ’s Hofs overwegingen de ontneming is gebaseerd op voordeel dat is verkregen uit feiten waarvoor betrokkene in de hoofdzaak is vrijgesproken. Dat uitgangspunt berust echter op een verkeerde lezing van de uitspraak en ’s Hofs overwegingen en mist daardoor feitelijke grondslag. Het Hof heeft de ontneming gebaseerd op deelneming aan een criminele organisatie, waarvoor betrokkene is veroordeeld. Dat het voordeel voor die organisatie mede is verkregen uit concrete strafbare feiten waarvan betrokkene zelf is vrijgesproken, doet niet af aan de mogelijkheid van ontneming omdat voor deelneming aan een criminele organisatie niet is vereist dat de deelnemer strafbaar betrokken is geweest bij strafbare feiten waarop het oogmerk van de organisatie is gericht en waarmee die organisatie daadwerkelijk voordeel heeft behaald. In een geval als i.c. is het voordeel immers aan te merken als verkregen d.m.v. de deelneming aan een criminele organisatie, ook vzv. het gaat om binnen het oogmerk van die organisatie gelegen, door leden van de criminele organisatie begane misdrijven waarvan niet bewezen kan worden dat betrokkene daaraan feitelijk heeft deelgenomen (vgl. HR LJN ZD1580). Opmerking verdient dat het Hof aldus evenmin het in het arrest van 1-3-2007 van het EHRM in de zaak Geerings tegen NL, NJ 2007, 349, gegeven oordeel heeft miskend. Immers, niet kan worden gezegd dat het Hof met zijn overweging alsnog de schuld van betrokkene heeft aangenomen aan de feitelijke, strafbare betrokkenheid bij een strafbaar feit, terwijl bovendien anders dan in de zaak Geerings, uit de bewijsmiddelen volgt dat betrokkene feitelijk deelde in de opbrengst van door andere leden van de criminele organisatie waarvan betrokkene deel uitmaakte, uitgevoerde misdrijven.
De uitspraak op rechtspraak.nl